Wimmer

In 1898 richte Benedikt Wimmer een machinefabriek op in Sulzbach am Inn. De fabriek produceerde aanvankelijk fietsen, en rond de eeuwwisseling zelfs driewielers, die in 1910 werden opgevolgd door auto’s. In 1921 ging een motor in productie die door de zoon van de oprichter, Otto Wimmer, werd geproduceerd. Het was een opvallende fiets, in meerdere opzichten. Allereerst betrof het een 137 cc viertakt motor die, gemonteerd op de ongeveerde voorvork, het voorwiel aandreef via een tweeversnellingsbak en een tandwieltrein. Korte tijd later volgde een lichte motorfiets met voorvering, waarbij de motor op de gebruikelijke manier gemonteerd werd en het achterwiel aandreef via een riem. Op basis van deze constructie ontstond in 1923 een 175 cc versie met waterkoeling. In het jaar daarop werd het blok vergroot tot 200 cc, maar verviel de waterkoeling weer. In ruil daarvoor kreeg hij wel een kickstarter. In 1928 ontstond daaruit een kettinggedreven variant met een geperst stalen voorvork. Midden dertiger jaren werd de motor vervangen door een Bark inbouwmotor.
In 1931 introduceerde Wimmer een nieuw, geschroefd, buizenframe voor, waarin de meest uiteenlopende motoren gemonteerd konden worden. Naast de MAG en Bark motoren werd er ook een nieuwe OHV 350 cc versie met driebak aangeboden. In 1933 volgde een variant met blokmotor. Nog een jaar later werd een speciale versie geïntroduceerd met een hoog gemonteerde dubbelpoorts uitlaat en vierversnellingsbak. Ook werd er een 500 cc versie in dezelfde lijn gebouwd. In 1939 moest de fabriek verplicht oorlogsproductie draaien en werd de productie van motorfietsen beëindigd.