Velocette

John Goodman, die al eerder bij motorfabricage betrokken was, richtte in 1904 Veloce Ltd. op en bracht zijn eerste viertakt motorfietsen uit. Vanaf 1913 volgden ook eigen tweetakten met een inhoud van 206 cc. Na de Eerste Wereldoorlog bracht hij daarvan een verbeterde versie uit, een 220 cc kamzuiger-tweetakt, waarvan de G-versie twee uitlaatpoorten en een driever­snellingsbak had. Al naar gelang de wensen van de klant werd de motorfiets uitgevoerd met riem- of kettingaandrijving. Andere kenmerken waren het wiegframe en de schommelarmvoorvork.
Radicale stappen werden ondernomen toen bleek dat ook de 250 cc tweetakten niet de gewenste sportieve successen oplever­den. Percy Goodman, zoon van de oprichter, construeerde een 350 cc koningsasmotor. Nu lukte het wel: met een verstevigd frame en een Webb voorvork wist dit K-model in 1926 een overwinning in de junior TT te boeken. Vanaf 1926 werden er ook seriemodellen aangeboden (K,KT, KE, KN) terwijl de KTT in 1928 volgde. Tot de beëindiging van de productie in 1950 bij de Mark VIII, was er steeds sprake van een verbeterde versie van het oorspronkelijke model. De Mark IV uit 1933 leverde bijvoorbeeld een nieuw frame, een vierbak en een bronzen cilinderkop op. In 1938, met de Mk VII, werden achtervering en een aluminium cilinderkop ingevoerd. De fabrieksracers – vanaf 1934 ook als 500 dohc versie – beschikten al vier jaar eerder over achtervering. Naast de KTT waren er de sport (KSS) en sportieve toermodellen (KTS).
In 1933 verschenen er kopkleppers. De 250 cc tellende MOV bleef tot 1948 in het programma, de 350 cc MAC tot 1952 en de MSS met 500 cc kopklepper werd tot 1948 gebouwd. Daarnaast kwam de nieuwe 250 cc tweetakt GTP. Alle motoren beschikten al over een voetgeschakelde vierversnellingsbak. Tijdens de Tweede Wereldoorlog produceerde Velocette ook de MAF, een 350 cc kopklepper voor het leger.
Na 1950 kregen alle modellen een geveerde achtervork en een telescoopvoorvork. Een kleine sensatie vormde de in 1948 geïntroduceerde LE. Opvallende kenmerken waren het car­ros­serie­achtige plaatstalen frame en de 200 cc zijklepsboxer motor met waterkoeling en cardanaandrijving. Omdat het model voornamelijk bij ambtenaren populair was, vanwege de been­schilden, werd een sportievere versie geïntroduceerd. De Valiant bezat een luchtgekoelde boxer kopklepper en een dubbel wiegframe. Sportiever nieuws waren de Venom (500 cc) en de Viper (350 cc) uit 1955, waarvan ook Clubman versie’s geïntroduceerd werden, die geschikt waren voor sportieve evenementen. Daar­naast konden ook kuipen besteld worden, de “Special” was een halve kuip, de “Veenline” was een volle kuip. De Thruxton was een productieracer die op de ‘65-er Venom gebaseerd was. Succesvol, maar zeldzaam waren ook de Scrambler en Crossers op basis van de MSS en de Venom. Na de boomtijd van de ‘50-er jaren bleek de scooter met de naam “Viceroy” -met tweecilinder boxermotor- een flop. In ‘70, toen opdrachten van derden de verliezen bij de motorproductie niet meer konden dekken, werd de productie beëindigd.