Victoria 1923-1945

De Victoria Werke AG ontstonden in 1899 uit een fietsfabriek die Max Frankenburger en Max Ottenstein in 1893 in Neurenberg oprichtten. Tussen 1901 en 1914 produceerde Victoria fietsen met hulpmotor met motoren van Fafnier, FN en Minerva.
In 1920 werd de basis gelegd voor de opmars tot wat een van de grootste Duitse fabrikanten zou worden. Tot 1922 kocht Victoria tweecilinder zijkleps-boxers van BMW, want BMW begon pas in 1923 met de fabricage van eigen motorfietsen. De motoren werden met de krukas dwars tegen de rijrichting in het frame gemonteerd. De tweeversnellings KR1 bezat riem­aan­drijving. De KR2, uit het einde van 1922, bezat al een kopklepper, die door Martin Stolle bij de firma ”Motorenbau Sedlbauer” ontwikkeld was. Deze firma werd in 1923 door Victoria overgenomen. De opvolger, de KR 3 uit 1924, was uitgerust met een verbeterde voorvork, drie versnellingen en kettingaandrijving.
Tot 1938 bleef het model – inmiddels geëvolueerd tot KR 6 – in productie, met een duidelijk verbeterd frame en 20 PK vermogen.
Tussen 1927 en 1930 werd de KR 7 met 24 PK aangeboden.
In 1928 werd het programma naar de onderzijde uitgebreid. De 350 cc tellende KR 35 verscheen als eerste loot aan de nieuwe stam. De machine bezat een wiegframe, een ”Tiger” paral­lello­gram­voorvork en een Sturmey-Archer kopklepper. Daarnaast verscheen de KR 20, een 200 cc zijklepper, een klasse die in Duitsland belasting- en rijbewijsvrij was. De KR 50/50S uit 1930 waren volgens dezelfde lijnen opgetrokken en bezaten 500 cc kop- en zijklepmotoren van dezelfde leverancier.
De Engelse motorblokken werden in het midden van de dertiger jaren afgelost door 350 cc Columbus motoren, die in licentie werden geproduceerd. Deze Columbus motor was overigens niet nieuw: de KR 350 SLM uit 1931 bezat al een kopklepper van dit merk. Als opvolger had men de KR 35 B met zijklepper unitblok, maar het publiek dacht daar anders over. Zodoende verscheen in 1937 weer de aloude Columbus kopklepper, die in de tot 1940 gebouwde KR 35 S/SN/SS modellen resp. 14, 18 en 20 PK leverde.
Een korte onderbreking leverden de KR 8 (1934) en de KR 9 (1936). Achter de motorkapseling en de beenschilden zat een naar voren geneigde 500 cc zijklepper twin, die vanwege thermische problemen door een kop- zijklepper werd vervangen. Het ongewone uiterlijk sloeg niet aan bij het publiek. Na slechts 1400 exemplaren viel het doek voor deze twin.
De Victoria 74 cc en 98 cc brommers – volgens de Duitse wetgever – waren voorzien van Sachs-motoren. De lichte motorfietsen van 125 tot 200 cc waren daarentegen voorzien van ILO motoren (KR 12, 15, 20). Deze werden vanaf 1937 – met uitzondering van de 60 cc Saxonette – vervangen door eigen tweetakt motortjes met vlakke zuigers. Het kleinste model was de 98 cc tellende VN 99, de sterkste was de 250 cc KR 25 S ”Aero”, die al was voorzien van het universele frame, dat bestond uit grote delen die samengelast werden en een geperst stalen voorvork. Daartussen lagen de modellen KR 12, KR 15 en KR 20, met resp. 125, 150 en 200 cc inhoud.