Triumph twee- en driecilinders

In de loop der tijd ontwikkelde zich de tweecilinder kopklepper tot het speerpunt van de Triumph ontwikkeling. In 1932 was er een prototype twin, maar pas vanaf de 500 cc Speed-twin, ontwikkeld door Edward Turner in 1937, wist Triumph daarmee een legendarische reputatie op te bouwen. De eenvoudige opbouw, met een centraal vliegwiel, en 360° verzette kruktappen, vormde de basis van alle Triumph twins. Het toermodel 5T werd al snel vergezeld van de sportieve ”Tiger” (T 100) uit 1938. In 1946 kregen alle modellen een telescoopvoorvork, maar het achterwiel bleef vooralsnog onafgeveerd. De 350 cc 3T was nieuw voor 1946 en de 5T bezat nu het vermogen van de vooroorlogse Tiger 100. Voor laatstgenoemde was er overigens ook een Sportkit leverbaar, maar vanaf 1953 was er ook de T 100 C, waar de sportkit af fabriek gemonteerd zat. Vanaf 1948 werd de ”Trophy” TR 5 niet alleen voorzien van een aluminium cilinderblok, maar werd tevens een nieuw frame toegepast, waarbij de motor als dragend deel functioneerde. Opvallend was ook het feit dat het 500 cc Grand-Prix model in het leveringsprogramma werd opgenomen. Een slag groter werd Turners Speedtwin in 1949, toen de ”Thunderbird” 6T het licht zag. De 650 cc machine had niet alleen een grotere boring, maar ook een grotere slag.
Vanaf 1955 werd uiteindelijk ook de afgeveerde achtervork standaard. De nieuwe T 110, een 650 cc machine met verbeterde cilinderkop, vormde de basis van een motorfiets waarmee men verschillende records wist te breken. De T 120 ”Bonneville” met twee carburateurs, sportnokkenassen en hogere compressie, refereerde aan deze succesvolle onderneming.
De hernieuwd ingevoerde 350 cc twin wees naar de toekomst. Het model 3TA, dat in 1963 door de Tiger 90 werd afgelost, werd als eerste Triumph in de unit bouwwijze uitgevoerd, waarbij motor en versnellingsbak als het ware een geheel vormen. De 500 versie moest op deze modernisering nog wachten tot 1958, toen de 5TA uitkwam. De 650 unit uitvoering verscheen in 1963. Tegelijkertijd werd een nieuw wiegframe ingevoerd, waarbij de enkele voorste framebuis zich onder het blok deelde. Drie jaar later werd de productie van de modellen 3TA, 5TA en de 650 cc Thunderbird beëindigd, terwijl er tegelijkertijd een nieuwe sportieve 500 cc machine, de T 100 T, met twee carburateurs op de markt kwam.
Behalve kleine modificaties en de introductie van een 500 cc Scrambler, gebeurde er technisch gesproken weinig in de periode voor 1973, totdat in dat jaar de T 140 geïntroduceerd werd. De tot 724 opgeboorde T140 twin moest al vrij snel na de introductie verder ontwikkeld worden. Met 744 cc, een vijfbak en een schijfrem in het voorwiel, verscheen zij als T 140 V op de markt. Vanaf 1975 geschiedde de schakeling links en werd er ook achter een schijfrem gemonteerd. Drie jaar later kregen de 750 cc ”Tiger” en de ”Bonneville” gietwielen en een elektrische starter. Bovendien verscheen rond 1981 de vierkleps TTS in gelimiteerde productie. Helaas kunnen we zeggen dat dit tot de laatste stuipjes hoorde van Triumph. Voor de driecilinder, de ”Trident”, koesterde men hoge verwachtingen. De motor was gebaseerd op de 500 twin, waaraan als het ware een extra cilinder geplakt werd, en waarvan de kruktappen 120° verzet gemonteerd waren. Toen de machine, inclusief kinderziektes aan het einde van de zestiger jaren op de markt kwam, moest zij aantreden tegen de moderne viercilinder Honda. Helaas konden de racesuccessen, de continue ontwikkeling en de duurdere uitvoering, die in de types T 150V en T 160 weerspiegelde, de voorsprong van de Japanners ook niet teniet doen. In 1975 werd de productie van deze machine dan ook beëindigd.