Triumph ééncilinders

In de door Siegfried Bettmann uit Neurenberg in 1889 opgerichte Triumph fabriek ontstonden vanaf 1902 gemotoriseerde fietsen met Minerva, Fafnir en JAP-inbouwmotoren. Vanaf 1905 volgde de eerste eigen zijklepper. Vanaf 1907 liet men het Minerva voorbeeld helemaal varen en stelde een motorfiets voor met een 454 cc zijklepper die als dragend gedeelte fungeerde in het fietsachtige frame. Het voorwiel was opgehangen in een schommelarmvork. Een jaar later introduceerde men de eerste 500 cc zijklepper en vanaf 1912 was er een koppeling op het achterwiel beschikbaar. Het jaar daarop, toen de ”Baby” Triumph uitkwam met een 225 cc tellende tweetakt, werd er ook een Sturmey-Archer drieversnellingsbak leverbaar. Vanaf 1914 kreeg de machine een nieuw frame, dat lager was. Dit model werd met een driebak en riemaandrijving, in grote getale aan het leger geleverd. Daarnaast werd er een 550 cc versie leverbaar, dat na de oorlog als SD model met een drieversnellingsbak en kettingaandrijving leverbaar werd.
In 1921zorgde het merk voor een kleine sensatie door met een 500 cc vierklepper uit te komen. Deze door Henry Ricardo ontworpen fabrieksracer kwam later ook in de serieproductie en werd liefkozend ”Ricci” Triumph genoemd. Het model werd echter afgelost door een conventionele tweekleps machine, die door Victor Horsman ontworpen was. Deze laatste wist echter wel tijdens een TT een derde plaats te veroveren, en vormde daarmee de basis voor de TT OHV motoren. Echte aantallen werden echter alleen met de eenvoudigere zijkleppers van het type P en NSD bereikt.
Parallel aan de kop- en zijkleps 500 cc en 550 cc modellen werden ook kleinere machines geproduceerd. De ”Baby” tweetakt groeide naar 249 cc en in 1923 verscheen er een 350 cc machine met zijkleppen en een drieversnellingsbak, het model LS. In 1928 kreeg deze machine gezelschap van een 277 cc en een 350 cc sportversie. Een jaar later volgde de breuk met de Duitse dochteronderneming. Vanaf die tijd werden de Engelse modellen in Duitsland aangeboden onder de naam ”TEC” (Triumph Engineering Company). In de moeilijke jaren dertig werd met name de range aan kleinere modellen uitgebouwd. Zo kwam er in 1931 een 150 cc tweetakt en in 1932 een viertakt kopklepper variant met dezelfde inhoud. Deze vormden de basis voor de latere H- en Tiger-modellen met 250, 350 en 500 cc kopkleppers. Totdat de fabriek vernietigd werd, produceerde men voor het leger in 1940 ook 350 en 50 cc zijkleppers. De Triumph fabriek was overigens vanaf 1936 in het bezit van Jack Sangster, van Ariel.
Alhoewel er al vanaf het einde van de dertiger jaren een sterke voorkeur voor twins bij Triumph bestond, vormden de ééncilinder Tigers uit de ‘30-er jaren de basis voor verdere naoorlogse varianten met telescoopvoorvork en afgeveerde achtervork. De ”Terrier”-modellen met 150 en 200 cc kopkleppers werden opgevolgd door de ”Cub” und ”Tiger-Cub”-modellen in verschillende uitvoeringen. Tot in de zeventiger jaren werden er 250 cc versies en speciale uitvoeringen geleverd. In 1957, zo’n zes jaar na de verkoop van het bedrijf aan de BSA-groep, presenteerde Triumph de ”Tigress”, een 175 cc scooter, die echter niet het gehoopte succes bracht. In 1973 ging het merk Triumph over aan de Norton-Villiers-groep, en de productie liep min of meer tot in 1982 verder. Vanaf 1984 ontstonden bij Les Harris nog grote klassieke twins in licentie, zelfs tot 1987. De rechten van de machines liggen echter bij John Bloor die een nieuwe fabriek in Hinckley bouwde waar vanaf 1990 de nieuwe drie- en viercilinders geproduceerd worden.