Terrot

Alhoewel de firma van Charles Terrot zich sinds 1887 met de fabricage van breimachines bezighield, begon men rond de eeuwwisseling met de ontwikkeling van gemotoriseerde voertuigen. De eerste motorfietsen ontstonden rond 1904 en 22 jaar later was de firma de grootste motorfietsfabrikant van Frankrijk. Misschien had het feit dat men dure eigen ontwikkelingen aanvankelijk uit de weg ging, het succes een handje geholpen. Meestal kocht men inbouwmotoren, die men in licentie produceerde. Dankzij doorontwikkeling werden het dan uiteindelijk toch eigen motoren.
Tot aan de twintiger jaren overheersten kleine ééncilinders, meestal van Zedel, met een snuffelventiel en een cilinderinhoud van tussen de 137 en 427 cc. Daarnaast werden er V-Twins van Motosachoche aangeboden tot 1000 cc, zowel als 175 cc en 240 cc tweetaktmodellen. Vanaf 1923 kwam de eerste JAP ééncilinder zijklepper op het leveringsprogramma te staan, vrij snel gevolgd door een 500 cc versie. De daaraan gekoppelde driever­snellingsbakken kwamen aanvankelijk van Burman, later van Sturmey-Archer. Vooral de 350 cc machine deed het goed. Op basis van dit model werden dat ook eigen unitmotoren met zijkleppen ontwikkeld: de H/HSS. De kopkleppers voor de racerij, zoals de HSSL 350, bezaten overigens nog separate versnellingsbakken, De Supersport-modellen werden respectievelijk HCP (350 cc), LCP (175 cc) en OCP (250 cc) genoemd. Vanaf 1934 behoorde een voetgeschakelde vierversnellingsbak tot de standaarduitrusting. Na de Tweede Wereldoorlog ging het aanvankelijk gewoon verder met de 350 en 500 cc machines van voor de oorlog. Daarnaast werd een lichte motorfiets met een 125 cc kopklepper geïntroduceerd. In 1960 beëindigde men, na enkele mislukte pogingen met 100 en 125 cc scooters, alsook een 175 cc kopklepper, bij Terrot de motorfietsproductie.