Puch

Johann Puch, van oorsprong smid, richtte in 1890 een fietsfabriek op. Qua motorfietsproductie was Puch er al snel bij. In 1903 rolde al een ééncilinder viertakt met een gestuurde uitlaat en een atmosferische inlaatklep van de band. Tot 1919 ontstonden er verschillende modellen, kop-zijkleppers en zijkleppers, zowel twins als ééncilinders. De kleinste modellen telden 353 cc en de grootste 700 cc. Opmerkelijk was dat sommige machines zowel voor als achter al met een soort telescoopachtige veerelementen werden uitgerust. Topstuk uit het programma was de slechts 10 maal gebouwde boxer met vierbak en vering voor en achter. In de 20’er jaren ontstonden er problemen bij Puch, maar dankzij ingenieur Giovanni Marcellino wist men die te overwinnen. Hij wist een goedkoop te produceren dubbelzuiger tweetakt te realiseren met een asymmetrisch in- en uitlaatdiagram. Dit ontstond doordat de zuigers op een gevorkte drijfstang gemonteerd werden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Garelli.
Van 1923 tot 1927 werden de LM-types in diverse varianten gebouwd. Allen waren het echter lichte motorfietsen met voorvering, tweeversnellingsbak en 122 cc cilinderinhoud.
Dankzij de sportactiviteiten van Puch ontstonden er in 1924 enkele sportmodellen van het type LM II, ”Monza” met een cilinderinhoud van 350 cc en een vierversnellingsbak. Een jaar later werd een 175 cc variant met tweebak en parallellogramvoorvork geïntroduceerd.
Het hoogtepunt uit de serie werd gevormd door het type 220 – met een inhoud van 222 cc- die in 1926 het daglicht zag. Het was eveneens het einde van de serie. De hele serie bestond uit ”Längsläufer”, zoals Puch ze noemde. De krukas lag over dwars en de zuigers waren achter elkaar gemonteerd.
Met het type 250 (248 cc) uit 1929 was er voor het eerst sprake van een ”Querläufer”, waarbij de zuigers ten opzichte van de rijrichting naast elkaar stonden. Via een kroon en pignon overbrenging bracht de in de lengterichting gemonteerde krukas de kracht over op de drieversnellingsbak. De koppeling was in het achterwiel te vinden. Tot 1937 werd dit type in verschillende varianten geproduceerd. De 250 SL uit 1933 vormde, met een vierversnellingsbak een belangrijke verbetering van het concept. De latere S4 (Sport, vierbak) – die van 1934 tot 1936 werd geproduceerd – was dan ook een directe afstammeling van deze machine.
In antwoord op nieuwe verzekeringsvoorwaarden kwam Puch in 1937 met de 200 (198 cc), een kleinere versie van de 250 cc machine, waarbij overigens ook het buizenframe was vervangen door een plaatstalen frame. Het waren niet allemaal dubbelzuigers: de 60 cc grote ”Styriette” uit 1938 beschikte over een enkele kamzuiger.
De 125 cc machine, gebouwd van 1940 tot het begin van de 50’er jaren beschikte wel weer over een dubbelzuiger tweetakt, en had een dwarsgeplaatste krukas.
Een van de meest bijzondere varianten op het dubbelzuigerprincipe was de uit twee 250 cc dubbelzuigers samengestelde Puch 500 uit 1931. Deze werd in verschillende varianten aangeboden, aanvankelijk met een drie- later met een vierversnellingsbak. Ook bijzonder was de, voor het leger ontwikkelde, GS 350 cc uit 1938: de 14 PK sterke dubbelzuiger bezat voor elke zuiger een drijfstang. De drijfstangen waren op licht versprongen kruktappen geplaatst.
Een kleine onderbreking in de lange rij van Puch tweetakten vormde de 500 cc machine, voornamelijk bedoeld voor zijspangebruik. De motor was uitgerust was met een JAP ééncilinder zijklepper. Hier werden maar 300 exemplaren van gebouwd. Iets minder zeldzaam, maar desalniettemin een vreemde eend in de bijt, was de P800. Deze machine, met een viercilinder boxer zijklepper, werd voornamelijk voor overheidsdiensten geproduceerd.
Na de Tweede Wereldoorlog begon voor Puch een nieuw hoofdstuk met de TF 250, vanaf 1948. Niet alleen was de machine voorzien van telescoopvork en achtervering, de gevorkte drijfstang had plaats gemaakt voor een hulpdrijfstang. Bovendien lag de krukas weer dwars en werd de primaire overbrenging weer door een ketting verzorgd.
Met de 125 en 150 cc TL/SL modellen kwamen de plaatstalen frames en de verende achtervork. Deze machines werden afgelost door de duidelijk verbeterde 125 en 175 SV types. Deze types werden ook aangeboden als off-road modellen. In de off-road uitvoering waren ze voorzien van een buizenframe. Hetzelfde gold voor de 250 SGS en SGA (met elektrische starter) die een lange adem bleken te hebben. Als laatste Puch dubbelzuiger bleef deze tot 1970 in het programma. De M125, de laatste Puch wegmotor was zuigergestuurd, net als de scootermotoren. Na 1971 richtte Puch zich voornamelijk op de cross en betrouwbaarheidsmachines. Daarnaast speelden natuurlijk de bromfietsen een belangrijke rol.