Kawasaki

De Kawasaki Heavy Industries werd in 1878 opgericht door Shozo Kawasaki met het doel schepen te bouwen. Rond de eeuwwisseling ging men ook stoomlocomotieven bouwen. Tegenwoordig zijn er 16 fabrieken binnen het concern die alles maken wat groot en gecompliceerd is. Denk aan treinen, satellieten, schepen en zelfs vliegtuigen. De omzet vanuit de motorfabricage is, in verhouding tot het complete bedrijf, slechts klein. Maar vooral als kleinste van de vier grote motorfabrikanten in Japan wist Kawasaki altijd een bijzondere plek in de motorgeschiedenis in te nemen.
Na de Tweede Wereldoorlog begon Kawasaki in eerste instantie met de bouw van motoren en versnellingsbakken. Vanaf 1960 kwamen met de B7 en de B8 de eerste complete fietsen ter wereld. Kleine 125cc gebruiksfietsen met tweetaktmotoren. Na de overname van de oudste Japanse motorfabrikant Meguro, ging Kawasaki ook viertakten bouwen. Daaruit ontstonden de W1 en W2 modellen in de zestiger jaren, 650cc paralleltwins. Optisch leken ze erg op de BSA A10.
De snelle tweetakt parallel-twins met roterende inlaat, zorgden echter voor de doorbraak. Dit waren de 250cc A1 Samurai en de 350cc A7 Avenger met respectievelijk 31 en 42 PK. Legendarisch werden de driecilinder zuigergestuurde tweetakten 500 H1 (60 PK), 750 H2 (71 PK) en de 350 S2 (41 PK) aan het eind van de zestiger en begin van de zeventiger jaren. Iets rustiger waren de driecilinder 400 S3 met 40 PK en de 250 S1 met 28 PK.
De viercilinder 900 Z1 Super 4, met dubbele bovenliggende nokkenassen was een klap in het gezicht van marktleider Honda. Men had zich toch in Japan een stilzwijgende grens gesteld van de 750cc. En het best bewaarde geheim van de Kawasaki ontwikkelingsafdeling werd een inslaand succes. Alleen al vanwege de ongelooflijke 82 PK die op de grens lag van wat het frame hebben kon. Twaalf jaar lang vormde deze 900 de basis voor alles wat in het één-liter bereik zou uitkomen.