Bücker

Robuuste rijwielgedeeltes en de hoogst mogelijke ambachtelijke kwaliteit, dat waren de beginselen van Franz Bücker. Zijn loopbaan begon met zijn gedwongen studie als ingenieur en werd beïnvloed door de Eerste Wereldoorlog. Via technisch opzichter in een motorenfabriek werd hij uiteindelijk motorfietsfabrikant is In 1922 startte Bücker in Oberursel bij Frankfurt zijn firma “tot fabricage en instandhouding van tweewielers.” In eerste instantie bestond het bedrijf uit niet meer dan een enkele schuur. Daarin monteerde Bücker Bekamo tweetakt inbouw motoren in gewone fietsen. Tijdens zijn hele productieperiode hield hij het op de bouw van kleine series. Zo kon hij vasthouden aan de door hem gehanteerde kwaliteitsnormen. Bücker was in elke inhoudsklasse vertegenwoordigd met zijn ambachtelijke kwaliteitsproducten. Hij testte zijn motoren vooraf door ze zelf in wedstrijden in te zetten. Hij gebruikte motoren van MAG, Columbus, Blackburne, Bark, Sachs en ILO. Ook JAP hoorde tot aan de Tweede Wereldoorlog tot zijn motorenleveranciers. Daarbij beperkte Bücker zich niet tot de kleinere slagvolumes. Zijn vlaggenschip had een indrukwekkende 1000 cc V-twin als hart. De toerversie had zijkleppen en leverde 30 pk. De topper van het programma was niet alleen de duurste Duitse eenliter machine, maar met zijn volbloed kopklep JAP wedstrijdmotor van 55 pk en een topsnelheid van 175 km/u was deze motor ook de snelste in zijn segment. Na de Tweede Wereldoorlog werd ook bij Bücker de spoeling dun. De fabriek in Oberursel begon met de inbouw van ILO inbouwmotoren en kon zo snel tweetaktmachines van 125 cc tot 250 cc leveren. De ineenstorting van de motormarkt dwong ook Bücker de motorfietsproductie te staken.