ARDIE

Drie jaar nadat de eerste tweetaktmachines -eerst van 288 cc, later met een cilinderinhoud van 305 cc- de fabriek in Neurenberg hadden verlaten, verongelukte de oprichter van het bedrijf in 1922 tijdens een proefrit. Arno Dietrich was, voordat hij zijn eigen bedrijf opzette, werkzaam als bedrijfsleider bij de fietsen en motorrijwiel fabricage van Premier en Triumph. Na de dood van Dietrich werd de fabriek eerst omgezet in een NV en later werden de belangen verdeeld onder aandeelhouders.
In het midden van de twintiger jaren was het merk erg succesvol met de inbouw van JAP motoren uit Engeland. Deze een- en tweecilinder viertaktmotoren waren beschikbaar in slagvolumes van 198- tot 998 cc. De Ardie 500 werd zelfs de best verkochte halvelitermachine in Duitsland. Dit succesverhaal was gebaseerd op de rationele productie en een scherpe prijsstelling. Aan het eind van 1930 beschikten de Ardie modellen “Silberadler” en “Silberfuchs” over Duralu­minium frames en voetgeschakelde vierversnellingsbakken.

Door de veranderde politieke situatie werden er na 1933 steeds minder Engelse onderdelen gebruikt. De Dresdener firma Bark sprong in dit gat in de markt. Zij leverden kop- en zijkleppers tussen de 350- en de 600 cc en een 200 cc tweetaktmotor. Vanaf 1939 maakte de fabriek, die inmiddels tot het Bielevelder Dürkopp concern behoorde, uitsluitend nog tweetakten. Het zwaartepunt van de fabricage lag inmiddels op het fabriceren van oorlogmateriaal.

Vanaf 1949 kon men alweer tweetaktmotorfietsen aanbieden die op de vooroorlogse modellen waren gebaseerd. Twee jaar later verscheen de nieuwe B251 met achterwielvering. In 1955 kregen de Ardies een verende achtervork en in datzelfde jaar kwam de in verzamelaarskringen begeerde BZ 350 tweecilinder met een vermogen van 20 PK uit. Maar in het midden van de vijftiger jaren begonnen ook de Neurenbergers de eerste tekenen van de naderende ineenstorting van de motorfietsmarkt te voelen. Zoals zoveel traditionele Duitse motorfietsfabrikanten moest men accepteren dat moderne techniek, goede kwaliteit en een zinnig prijsbeleid geen garanties meer waren voor redelijke verkopen. In de nasleep van de sterke economische groei en de steeds grotere welstand van de burgerij wilden de Duitsers eerder een klein autootje dan een nieuwe motor. Men vroeg om comfort en wilde stijgen op de sociale ladder. De motorfiets was op dat moment nog ver verwijderd van zijn trendy ontspanningsstatus van de decennia daarna. Hij moest dagelijks transport verzorgen in een wereld die steeds meer eisen ging stellen en deed dat lang niet zo goed als een auto. Daarom ging in 1958 ook bij Ardie het licht uit.

[TABLE=8]

abonneer gratis!!!

Abonneer gratis op onze maillinglist en word automatisch op de hoogte gebracht wanneer er weer iets interessant is te lezen.